(...) Hierbij sluit het grondmotief aan, dat in het boek Deuteronomium zeven keer herhaald wordt: 'Doe deze geboden, en gij zult leven!' (...) De Talmoed benadrukt het werkwoord aan het einde van die zin als een goddelijke oproep om de Schrift steeds opnieuw te interpreteren, teneinde de levenschenkende zin ervan - het hoofddoel - te doorgronden. De rabbijnen trekken uit de zevenvoudige herhaling van dit grondmotief de conclusie: geen van de verordeningen van de Tora mag zo worden toegepast dat er een te groot beroep wordt gedaan op het vermogen van het volk zich er aan te houden. Wanneer dus het merendeel van de joden zich aan een bepaalde regel niet meer kan houden, dan is die regel niet langer bindend. In die zin ervoeren onze wijzen al in vroeg-talmoedische tijden dat enkele wetten te streng en de straffen die op de overtreding ervan stonden te groot waren. Een middel dat vaak werd toegepast om de scherpte ervan te verzachten was de methode van de inperking van het terrein waarop de wet gold.
Dit gebeurde onder andere bij de 'weerbarstige, weerspannige zoon' (Deut. 21:18 e.v.), die tot steniging moest worden veroordeeld wanneer geen enkele vermaning of straf van de ouders iets uithaalde. Hier sloegen de rabbijnen aan het werk met het fijngeslepen instrument van de juridische interpretatie: Er kon in ieder geval geen sprake zijn dat een minderjarige gerechtelijk ter verantwoording kon worden geroepen en gestraft - dus iemand is pas strafbaar als hij zijn dertiende levensjaar heeft voltooid. Bovendien diende ook het woord 'zoon' speciale aandacht te krijgen: dat gold slechts totdat een jongen geslachtsrijp was, omdat daarna de mogelijkheid van eigen vaderschap het begrip zoon uitsloot. Omdat deze ontwikkeling in de regel al met dertien jaar en drie maanden begon, bleven er maar die maanden over waarin de wet kon worden toegepast. Daarom werd de regel - zoals de Talmoed met voldoening constateert - praktisch nooit uitgevoerd en diende hij alleen ter afschrikking en waarschuwing.
uit: Uit de Bijbel leren leven Pinchas Lapide (blz. 46-47 derde druk, Ten Have Baarn)
Posts tonen met het label "Pinchas Lapide". Alle posts tonen
Posts tonen met het label "Pinchas Lapide". Alle posts tonen
woensdag 19 december 2007
Pinchas Lapide over toepassing van de wet
Labels:
"Pinchas Lapide",
toepassing,
wet
vrijdag 6 juli 2007
Sjabbat en eindtijd
In het boekje 'Hij leerde in hun synagogen' met als ondertitel 'een joodse uitleg van de evangeliën', waaruit ik al eerder citeerde laat Pinchas Lapide aan de hand van vele voorbeelden zien hoezeer het Nieuwe Testament doortrokken is van de joodse cultuur en godsdienst. Hij laat hierdoor vaak een verrassend nieuw licht vallen op moeilijke en dikwijls onjuist uitgelegde gedeelten, zo vermeldt de achterkant.
In het gedeelte waarin Lapide laat zien dat Jezus zich aan de thora-regels hield (Jezus kwam de thora niet afschaffen, maar hem vervullen), waaronder het houden van de sabbat (ook al lijken sommige teksten aan te tonen van niet!) vertelt hij o.a. het volgende (H3, pag. 67):
"De Sabbat is voor ons evenzeer een voorspraak van de messiaanse eindtijd of -zoals de rabbijnen zeggen- een voorafschaduwing van de komende wereld; in het Hebreeuws heet de komende wereld ook 'de wereldensabbat', want dan moet rust, eensgezindheid en vrede heersen, in de zin van sjaloom; dat betekent vrede met God, tussen mensen onderling en in elk mensenhart zelf. De sabbat is derhalve een voorsmaak van vredesverzoening, die ons door de profeten is aangezegd - van die goddelijke sjaloom tussen God en mens, tussen cultuur en natuur, tussen lichaam en geest, waar ziekte noch tranen, droefheid noch dood meer zullen zijn."
In het gedeelte waarin Lapide laat zien dat Jezus zich aan de thora-regels hield (Jezus kwam de thora niet afschaffen, maar hem vervullen), waaronder het houden van de sabbat (ook al lijken sommige teksten aan te tonen van niet!) vertelt hij o.a. het volgende (H3, pag. 67):
"De Sabbat is voor ons evenzeer een voorspraak van de messiaanse eindtijd of -zoals de rabbijnen zeggen- een voorafschaduwing van de komende wereld; in het Hebreeuws heet de komende wereld ook 'de wereldensabbat', want dan moet rust, eensgezindheid en vrede heersen, in de zin van sjaloom; dat betekent vrede met God, tussen mensen onderling en in elk mensenhart zelf. De sabbat is derhalve een voorsmaak van vredesverzoening, die ons door de profeten is aangezegd - van die goddelijke sjaloom tussen God en mens, tussen cultuur en natuur, tussen lichaam en geest, waar ziekte noch tranen, droefheid noch dood meer zullen zijn."
Labels:
"Pinchas Lapide",
sabbat
donderdag 5 juli 2007
Joodse wijsheid
Soms kom je van die typische joodse wijsheden tegen. Bijvoorbeeld de volgende.
Een oude rabbi vroeg eens aan zijn leerlingen:
'Hoe kun je het moment bepalen
waarop de nacht ten einde is en de dag begint?'
'Is het misschien het moment waarop je vanuit de verte
een hond van een schaap kunt onderscheiden?',
vroeg één van de leerlingen.
'Neen', zei de rabbi.
'Is het wanneer je van verre
een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden?',
vroeg een andere leerling.
'Neen', zei de rabbi.
'Maar wanneer is het dan?', vroegen de leerlingen ongeduldig.
De rabbi antwoordde:
'Het is als je in het gezicht van een ander mens kunt kijken
en daarin je zuster of je broeder herkent.
Tot op dat moment is de nacht nog bij ons...'.
Het commentaar van mijn vrouw hierop was: "wat stellen die leerlingen toch altijd domme vragen in zulke verhaaltjes..."
Een oude rabbi vroeg eens aan zijn leerlingen:
'Hoe kun je het moment bepalen
waarop de nacht ten einde is en de dag begint?'
'Is het misschien het moment waarop je vanuit de verte
een hond van een schaap kunt onderscheiden?',
vroeg één van de leerlingen.
'Neen', zei de rabbi.
'Is het wanneer je van verre
een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden?',
vroeg een andere leerling.
'Neen', zei de rabbi.
'Maar wanneer is het dan?', vroegen de leerlingen ongeduldig.
De rabbi antwoordde:
'Het is als je in het gezicht van een ander mens kunt kijken
en daarin je zuster of je broeder herkent.
Tot op dat moment is de nacht nog bij ons...'.
Het commentaar van mijn vrouw hierop was: "wat stellen die leerlingen toch altijd domme vragen in zulke verhaaltjes..."
Labels:
"Pinchas Lapide",
joodse wijsheid
woensdag 4 juli 2007
Zichzelf accepteren

uit: Hij leerde in hun synagogen, Pinchas Lapide (H4, blz 83,84)
De mystici van de middeleeuwse Kabbalah plachten te zeggen: de naaste is altijd een deel van jezelf; in elk medemens ben je in een kiem aanwezig: niet-liefde tot de naaste wreekt zich dus aan het eigen ego, dat ten hemel schreit tegen het masochisme van de liefdeloosheid. Want elke vorm van haat is ten diepste: haat tegen jezelf. Elk bewijs van liefde is in feite een dienst-aan-het-ik; altruïsme is dus niets anders dan verlicht egoïsme, dat bij machte is de gevangenis van de eigen huid op te blazen.
Maar het gebod van de naastenliefde is niet absoluut, het is verankerd in de liefde tot uzelf. Over zelfliefde moet daarom nog iets worden gezegd. Tot voor enkele jaren kwam in de theologie meestal slechts de acceptatie van de mens door God en de acceptatie van de medemens door zijn naaste voor. De acceptatie van de mens door zichzelf daarentegen werd verboden als zijnde egoïsme en zelfverheerlijking - want de bijbel leek immers het tegendeel te eisen: zichzelf verloochenen en de naaste accepteren.
En zo eiste een dogmatisch rigorisme de zelfverloochening van een mens als de nu eenmaal geboden christelijke houding. Als christelijk gold een handelen in principe slechts dan, wanneer het degene die handelde, zelf pijn deed. Dit moreel recept reikte van de kluizenaars in de egyptische woestijn en de flagellanten uit de Middeleeuwen via de gereformeerde burgervaders van Genève en de piëtisten in Wuppertal tot aan de grote Kant in Königsberg. In de kinderkamers en op de kazernepleinen heerste dezelfde destructieve moraal van de tucht, waarvan het belangrijkste thema luidde: Het eigen ik van de mens moet eerst worden gebroken. De gevolgen waren talloze psychische verminkingen, waaraan vele kerken hun zegen gaven - onder voorbehoud dat een dergelijk masochistische zelfverloochening niet uitmondde in zelfmoord. Pas de moderne psycho-analyse heeft in onze tijd de theologie herinnerd aan de oeroude hebreeuwse bijbelse wijsheid, dat zelf-acceptatie nog niet betekent egoïsme, maar behoort tot een zinvol leven.
Zichzelf accepteren betekent ja zeggen tot zichzelf, hoewel men is zoals men is en zoals men misschien helemaal niet zou willen zijn. Zijn tekort schieten toegeven en nochtans niet omkomen in schuldgevoelens of zelfmedelijden; zijn eigen lichaam en aanleg verdragen en afscheid nemen van datgene wat men van zichzelf gewenst had, de projectie die men van zichzelf heeft ontworpen; de richting en de grenzen van zijn eigen begaafdheid onderkennen en niets onmogelijks van zichzelf eisen; wanneer men te hoge eisen aan zichzelf stelt kan dat snel leiden tot verachting van zichzelf, hetgeen tenslotte eindigt in een zichzelf haten, dat alle liefde verleert.
Alleen in de mate waarin iemand zichzelf heeft geaccepteerd, is hij in staat om ook anderen te accepteren. Dat wist reeds Hillel, een leermeester uit de Farizeeën, die door verscheidene onderzoekers werd beschouwd als een van de leraren van de jonge Jezus. Hij liet ons de spreuk na die in de loop der tijd in de scholen van Israël tot een leerdicht is geworden:
'Wanneer ik niet voor mij ben, wie is dan voor mij?
Zolang ik echter slechts voor mijzelf ben, wat ben ik dan?
En indien niet nu, wanneer dan wel?'
Labels:
"Pinchas Lapide",
naastenliefde
Abonneren op:
Posts (Atom)